Genialiteit in verscheidenheid

Genialiteit in verscheidenheid

10-08-2017
Blogs

Zo midden in de zomervakantie is de afstand tot het schoolse leven maximaal. In de krant lees ik over wonderkinderen. Een 3 jarige peuter die kan (rock)drummen. Een 8 jarige die ingewikkelde berekeningen doet en een meid van 20 die al is gepromoveerd. Zelf heb ik zo'n "wonderkind"

Genialiteit in verscheidenheid

Zo midden in de zomervakantie is de afstand tot het schoolse leven maximaal. In de krant lees ik over wonderkinderen. Een 3 jarige peuter die kan (rock)drummen. Een 8 jarige die ingewikkelde berekeningen doet en een meid van 20 die al is gepromoveerd. Zelf heb ik zo'n "wonderkind" van nabij gezien. Peter was een 6 jarige jongen die volkomen uit het niets, zo leek het, tweehandig de klassieke meesters op de piano speelde, op een eenvoudig derdehands keyboard, want zijn ouders (mijn kennissen) hadden totaal geen interesse in muziek. Zonder les. Waar komt dit vandaan? Het lijkt ondergedetermineerd door leren en ervaring

Noam Chomsky en na hem o.m.Jerry Fodor toonden al in de jaren 60 aan dat vaardigheden als taal en logica altijdondergetermineerd zijn door leren en ervaring. En dat geldt niet alleen voor wonderkinderen; (praktisch) alle kinderen leren in slechts een paar jaar tijd hun moedertaal, op grond van gebrekkig aanbod, vol met fouten. Ze destilleren uit de onvolmaakte spreektaal (fout aanbod: veel halve zinnen, incongruente vervoegingen etc.) "vanzelf" de juiste regels, want ze kunnen al heel jong aangeven of een zin of vervoeging correct is of niet (een zogenaamd welgevormdheid oordeel geven).

Zeker zo verbazingwekkend als de wonderkinderen, is het gegeven dat veel science- art- en game-changers als kind juist vaak eenvertraagde ontwikkeling hebben laten zien. Van Alessandro Volta, de uitvinder van de batterij in 1800, is bijvoorbeeld bekend dat hij zeker tot zijn zevende sterk achterliep (zijn ouders dachten zelfs dat hij achterlijk was). Ook Wilhelm Röntgen bezocht het zogenaamde buitengewoon lager onderwijs (BLO, notabene in Apeldoorn), en andere beroemde voorbeelden zijn talrijk: niet alleen Albert Einstein, maar ook de cv's van vele hedendaagse hoogleraren laat een weg zien via mavo, havo en vwo naar hun wetenschappelijke carrière.

Om kort te gaan, grensverleggers - genieën - zijn er in vele soorten, van wonderkinderen (Jean Piaget, bv) tot gewone leerlingen, van goede tot trage en zeer trage leerlingen. Allemaal even fascinerend, en onbegrepen vanuit didactische, pedagogische en psychologische kaders. Fysieke verschillen en voor en nadelen daarvan in uiteenlopende contexten, kennen we allemaal. Klein, snel en wendbaar, bijvoorbeeld, tegenover groot en krachtig. Het ene is niet beter dan het andere, elke "bouw" is soms in het voordeel, soms in het nadeel. Maar, hebben we voor cognitieve ontwikkeling maar een beeld? 

Op school is vooral oog voor goede = snelle presteerders. Tja, natuurlijk hebben we remedial teaching voor achterblijvers, maar zelden beseffen we dat sommige achterblijvers tot genieën zullen uitbloeien. Al op de lagere school is de didactiek zo sterk gerelateerd aan gemiddelde ontwikkeling (normaalverdeling), dat uit datamining is gebleken dat de geboortemaand de kans op schoolsucces en daarmee indirect carrièresucces mede voorspelt: jonge leerlingen (geboren in mei of juni) hebben een grotere kans om achter te gaan lopen dan oudere leerlingen (geboren in november of december). Sommige kinderen ontwikkelen überhaupt atypisch, in andere volgorde. 

Mooi zou het zijn als we diverse types van ontwikkelaars kunnen onderscheiden. Door toepassing van moderne data-analyse technieken (machine-leren) zouden meerdere min of meer typische patronen van ontwikkeling kunnen worden onderscheiden. Zo zullen sommige kinderen wellicht heel lang exploreren in de ene fase en dan pas doorgaan naar de volgende, terwijl andere kinderen reeds op jonge leeftijd een spurt lijken te nemen, en wellicht later weer worden ingelopen. Vele andere patronen, waar wij geen weet van hebben, kunnen door patroonherkenners worden ontdekt. Maar helaas is de werkelijkheid precies omgekeerd: ICT toepassingen versmallen de blik (ze gaan over ieder kind in het algemeen), eerder dan dat ze helpen meer naar ieder kind in het bijzonder te kijken.

De nu dominante manier van schoolrijpheid en niveau bepalen, met standaardtesten al voor 4 jarigen, is zeker niet zonder risico's. We moeten uitkijken dat we door meer automatisering/standaardisering niet nog sterker van slechts 1 type ontwikkeling uitgaan. Want zoals gesteld maakt toepassing van techniek - moderne data-analyse -  een gepersonifieerde didactiek mogelijk. Verschillendheid in kaart brengen, in plaats van onverschilligheid. Maar slechte of onvoldoende doordachte toepassingen (zoveel mogelijk ICT omdat we van deze tijd zijn, of een dergelijk kul argument) bewerkstelligen juist het omgekeerde: onverschilligheid!

Bron: http://janwillemdegraaf.blogspot.nl/2017/08/